vakken > Nederlands

Nederlands

Nederlands is een vak dat voor brugklassers ‘lekker vertrouwd’ is. Op de basisschool heette het waarschijnlijk ‘Taal’, maar het boek en de lessen zullen voor een groot deel bekend voorkomen. Ook horen er bij Nederlands dingen die niet bij ‘Taal’ hoorden, maar die je wel al gedaan hebt op de basisschool.

Belangrijke lesonderdelen zijn:- Lezen (jeugdliteratuur)
- Spreken, luisteren en kijken (o.a. spreekbeurten)
- Zakelijk lezen (teksten, bijv. uit de krant)
- Schrijf wijzer (zelf teksten schrijven)
- Brongebruik (om kunnen gaan met bijvoorbeeld internet, woordenboek en encyclopedie)
- Grammatica
- Spelling
- Poëzie

Natuurlijk zijn er ook verschillen met de basisschool. Er zal meer nadruk liggen op de jeugdliteratuur en het maken van boekverslagen en we zullen dieper op de zaken ingaan dan op de basisschool, bijvoorbeeld met het ontleden. In de Tweede Fase wordt bij Nederlands gewerkt met de taalmethode Talent. In de lessen Nederlands/Literatuur wordt aandacht besteed aan literatuur aan de hand van de methode Laagland. Daarnaast leggen de leerlingen hun eigen literatuurdossier aan, met daarin onder andere boekverslagen, schrijversinformatie, secundaire (achtergrond) literatuur en verwerkingsopdrachten.

De lessen Nederlands in de TL zijn praktisch gericht. Dat wil zeggen: je leert dingen die je “later”  vaak nodig hebt. Bij de onderdelen lezen, schrijven, spreken en luisteren komt veel aan de orde. Een greep uit de vele onderwerpen:
- Het verwerken van informatie.
- Het schrijven van brieven. 
- Het maken van presentaties.
- Het lezen en analyseren van boeken. 
- Natuurlijk komen ook spelling en grammatica aan de orde